Ten eerste geloof ik in een leven dat me nog nooit overkomen is. Ik klamp mij vast aan het paradijs van een toekomst waarin ik succelvol en fantastisch ben en hoewel ik weet dat mijn toekomstdromen na zoveel jaar nog steeds voor geen meter gestalte krijgen, blijf ik de deur van mijn paradijs verbeten klemzetten met de volhardendheid van de voet van een jehovagetuige.
Het koppig vasthouden aan nutteloos gefantaseer over een beter hiernamaals is het eerste element van mijn magische drie-eenheid.
Het tweede element is een gebrek aan angst voor de dood. Ik ben al zo panisch voor dingen waar ik me wel een voorstelling van kan maken, dat de angst voor de dood in mijn geval totaal nutteloos is. Voor hetzelfde geld valt het namelijk reuze mee. Dus in mijn geval, en in het geval van de meeste gristenen, is onkunde over het desbetreffende onderwerp de totale garantie voor zelfvertrouwen en succes.
Het derde element is het rotsvaste geloof dat je het beter weet dan wie dan ook.
Mijn eerste grootse kunstuiting vond plaats toen ik vijf jaar oud was. Ergens op een podium in Uitgeest verbeeldde ik met een onderrok van mijn moeder op mijn hoofd de maagdelijke bruid Maria in een kerstspel. Mijn Jozef had een onduidelijke bruine aardappelzak aan en was net zo oud als ik. Ik straalde onder mijn onderrok en voelde mij geweldig tot mijn Jozef begon te praten. Hij mompelde en vergat toen prompt zijn tekst. Ik verloor mijn geduld. En fluisterde zo hard dat het zelfs achterin de zaal te horen was: ” Zo moet je dat niet zeggen! Je moet zeggen “kom binnen”! Een bescheiden publiek van deels gegeneerde en deels geamuseerde volwassenen keek mij aan. En ik zei “ Schiet op. Zeg het dan!”. En op het podium strompelde mijn verbijsterde en totaal geïntimideerde vijfjarige Jozef naar de kribbe, hij keek naar een deur die er niet was en mompelde: “kom binnen.”
En aldus schreden de door god gezonden vijfjarige wijzen uit het oosten met handdoeken op hun hoofd naar binnen door de niet-bestaande theaterdeur.
Dit alles geeft te denken. In mijn geval zelfs “ruimte voor bezinning”
Tot op heden beschouwde ik mijzelf als een min of meer agnost. Maar de constatering dat ik mijzelf kan samenvatten tot een doodsoptimistische betweter met onrealistische fantasieën…. Wel: ik kan niet anders concluderen dan dat ik een gristen ben.
zaterdag 28 juli 2007
ik ben een ware gristen
sigarenboer
Meestal loop ik naar de langzame sigarenboer, die enkel de kwalificatie langzaam verdient, omdat hij een stukje verderop zit. Ik heb een band met deze winkel. Om te beginnen zit hij naast mijn supermarkt (dus makkelijk en op de route) en daarnaast kan ik er altijd rekenen op een klein grapje dat hooguit twee minuten duurt. Ik wil namelijk nooit een plastic tasje voor het printerpapier dat ik bij ze kan kopen. Wij zijn al drie jaar zoet met deze grap: tot mijn genoegen proberen sigarenboer en zonen elke keer weer als ik even niet oplet een tasje om mijn koopwaar te schuiven en tot hun genoegen weiger ik deze altijd net op tijd.
Het nadeel van de langzame sigarenboer is dat ze inmiddels een beetje aanvoelen als verre familie. En ik had iets vervelends meegemaakt dus besloot naar de snelle sigarenboer te gaan, zodat ik niet vrolijk hoefde te doen tegen mijn verre familie.
Als ik bij de snelle sigarenboer kom ben ik meestal de enige klant. En ik weet dat ik daar niet kom voor mijn eigen vertier, maar omdat ik een praatje ben.
Als ik geluk heb staat hijzelf er: na 70+ jaar nog steeds niet in staat om uit zijn hoofd de prijs van drie pakjes sigaretten op te tellen. Als ik pech heb staat zijn vrouw er, die zich dagelijks aan de laatste strohalm van haar dichtgeverfde uitdunnende vastklampt vanuit de illusie dat ze een fris mens is met een goedlopende zaak waar mensen voor de gezelligheid een pakje sigaretten komen halen. Ze entertaint haar klanten met alles wat ze maar over de buurt weet en zadelt een autist als ik met een radeloos schuldgevoel op dat ik niet de hele dag in hun winkel blijf zitten om bakkies te drinken.
Maar vandaag stond hij er. Het bordje aan de winkeldeur vermeldde dat hij open was, maar de deur zat potdicht. Ik dacht nog dat het aan mij lag en rukte nog eens vastberaden aan de deurklink, waarop de eigenaar engiszins geschrokken met een sleutel opdoemde vanachter zijn sigarettenrekken. Onder zijn bril zaten donkere plekken rond zijn ogen.
En ik dacht nog: help: hij is er nog erger uit gaan zien als het cliché van een oude man: niet alleen suddervlees en parkiet, maar ook nog een enge ziekte.
En toen bleek dat hij afgelopen zaterdag beroofd en in elkaar geslagen was. 200 euro en dertig sloffen sigaretten weg, een jongen die over zijn kleine toonbankje was gesprongen om hem eerst op zijn gezicht te slaan en daarna een mes te trekken.
Terwijl hij me dit verhaal vertelde, kwam er een nieuwe klant binnen, ook een oude man. Deze oude nieuwere klant vertelde dat de snackbar en de koffieshop beroofd waren en slaagde erin om ongemerkt voor te dringen en zijn sigaretten eerder te kopen dan ik. De oude mannen mompelden en mopperden tegen elkaar en toen verdween de oudere nieuwe klant weer.
En ik stond weer alleen met de oude meneer van de snelle sigarenboer. Met zijn nare zwart geworden blauwe plekken rond zijn ogen en een zachte geur van oud eten om zich heen. En hij glimlachte een beetje en zei: “maar u wilde iets hebben?”
En ik kocht mijn sigaretten en liep naar buiten en hij sloot de deur achter me en ik dacht:...
Nee om eerlijk te zijn: ik had geen nobele gedachte dat ik mijn leven zou gaan veranderen teneinde oude in elkaar geslagen mensen te redden.
Het enige wat ik weet is dat ik morgen mijn sigaretten bij hem ga kopen.
En bij niemand anders.
vrijdag 27 juli 2007
faalangst
Later als ik groot ben heb ik een stenen hart, een metalen hoofd en een ziel van rubber, opdat geen klappen mij meer zullen deren.